Oppervlakkig gezien is er in mijn leven weinig veranderd sinds het begin van de Corona-crisis. Ik ga nog steeds werken en doe de boodschappen voor mijn gezin. Ik ben niet één van die velen die kan telewerken of die werkloos thuis zitten. Maar van zodra je een stap naar buiten zet is er wel heel wat veranderd.

Het traject van en naar het werk is momenteel een droom: de verplaatsingstijd van thuis tot aan het werk is gehalveerd. Hoe gaan we die files ooit nog terug gewoon worden? Zelfs met de fiets gaat het veel vlotter nu de scholen gesloten zijn.

Op het werk zelf is er ook wel één en ander veranderd. Ik moet nu eerst toestemming vragen om binnen te mogen, de buitendeuren zijn op slot. In de inkomhal staan grote rekken waar familie de was en spullen voor bewoners kan deponeren: alles netjes in zakken, gelabeld met de naam van de bewoner en datum en uur van aflevering. Alles moet er minstens 24 uur blijven staan alvorens het aan de geadresseerde mag geleverd worden.

De gangen van het woonzorgcentrum zijn donker en leeg. De gebruikelijke drukte van personeel, bezoekers, dokters  en vrijwilligers is volledig stilgevallen en de bewoners moeten zoveel mogelijk op hun kamers blijven, deuren mogen gelukkig wel open. Alle groepsactiviteiten zijn afgelast, de cafetaria, het kapsalon en de animatieruimte gingen voor onbepaalde tijd dicht. Hier en daar zie je tafeltjes staan met ontsmettingsgel, schorten, mondmaskers en handschoenen voor het zorgpersoneel dat bij ernstig zieke mensen moet binnengaan. Tot zover zijn er bij ons in het woonzorgcentrum nog geen gevallen van corona gemeld, maar hoe weet je dat als er nauwelijks getest wordt?

Er worden voor mij (maar ook voor ander niet-verpleegkundig of -zorgkundig personeel) geen speciale beschermingsmaatregelen voorzien. Ik werk nog steeds in mijn eigen kleren – ik draag geen schort of uniform – en het beschermingsmateriaal is voorbehouden voor het zorgpersoneel. Ik mag,  zolang ik niet hoest, geen mondmasker dragen om geen paniek te zaaien. Ik kan mij daar wel in vinden, zo’n masker is heel beperkend bij gesprekken, zeker als je afstand moet houden en al zeker bij slechthorenden. Veel handen wassen en ontsmetten dus, zo’n 15 à 20 keer per dag.

Er wordt weinig informatie doorgegeven dus bepaal ik zelf maar mijn eigen regels en hoop dat ik het juiste doe en dat er niets mis gaat. Het blijft allemaal zo een beetje aanmodderen, zoeken en jezelf heruitvinden en daar word je soms wat moedeloos van.

Wat mijn werk zelf betreft: de gesprekken blijven doorgaan, meer nog: nu de pastoraal werkster noodgedwongen in het andere woonzorgcentrum waar ze ook werkt moet blijven, ga bij eender welke bewoner die een gesprek wil en dat zijn er veel.

Ik vraag altijd eerst toestemming of ik, gezien de omstandigheden, mag binnen komen. Niemand zegt nee, maar waar ik voorheen op een stoel vlak bij de bewoner ging zitten ga ik nu op 2 à 3 meter afstand zitten of ik blijf aan de deur staan. De intimiteit van een vertrouwelijk gesprek gaat hiermee wel volledig verloren, maar het moet nu eenmaal en alle bewoners kunnen daar wel begrip voor opbrengen. Ze zijn gewoon content dat er eens iemand langskomt die wat meer tijd voor hen kan vrijmaken. Veel meer dan tv kijken zit er voor de bewoners – die zo goed als niet meer van hun kamer komen – niet op en op de tv worden ze heel de tijd geconfronteerd met programma’s over het virus. De meesten begrijpen maar al te goed wat er aan de hand is en hebben geen probleem met de maatregelen die genomen moeten worden, maar de eenzaamheid begint voor sommigen na enkele weken wel al zwaar door te wegen. Dus probeer ik vooral om mensen gerust te stellen en te troosten waar nodig. Er zijn intussen wel verschillende initiatieven opgestart om het contact met de buitenwereld niet te verliezen (Skype, praten achter glas, brieven, …), maar niets van dat alles kan een gesprek van mens tot mens vervangen….

Ik ga niet meer binnen in de woningen van bewoners die ziek zijn. Op die deuren plakt een A4-blad met Corona maatregelen, dat betekent niet dat de persoon die er verblijft besmet is met het virus, maar wel dat deze persoon symptomen vertoont. Ook de beschermde afdeling mijd ik omdat daar de meest kwetsbare bewoners verblijven: je kan mensen met dementie niet verplichten om op hun kamer te blijven en afstand houden is daar moeilijk. Ik ben geen held…

De vorige weken werd ik tijdens het weekend, naarmate maandagochtend dichterbij kwam, steeds onrustiger. Het is niet gemakkelijk om na enkele dagen je veilige cocon te verlaten en je weer naar het werk te begeven, maar stilaan gaat het beter. Ik ontdek de rust van rituelen: op zondagavond alles verzamelen wat mee moet naar het werk zodat ik op maandagochtend niets meer moet gaan zoeken, alvast een lunchpakket klaarmaken, het weerbericht checken (ga ik met de auto of met de fiets?), kleren uitkiezen, een douche en als laatste – zeer belangrijk –  vingernagels kortknippen. Het is raar, maar dat alles geeft mij rust en die rust is nodig om er te blijven tegen kunnen en dat lukt steeds beter. Ik put veel energie uit de reacties van bewoners – op dat vlak zijn het voor mij topdagen – maar het blijft een evenwichtsoefening en er is continu die twijfel: ga ik besmet worden, ben ik al besmet, ga ik iemand besmetten?

Reageer